Hoe vliegt een vliegtuig?

De reden dat een vliegtuig door de lucht kan vliegen heeft op de eerste plaats te maken met aerodynamica, waar we van spreken als voorwerpen door de lucht voortbewegen. De vleugel van een vliegtuig is aan de bovenkant bol en aan de onderkant plat, wat er voor zorgt dat de luchtstroom aan de bovenkant van de vleugel sneller verloopt dan aan de onderkant van de vleugel. Hierdoor wordt de luchtdruk aan de onderkant van de vleugel groter, waardoor een vliegtuig als het ware in de lucht kan blijven hangen.

De voorwaarde hiervoor is dat het vliegtuig in beweging moet blijven, omdat er anders geen spraken meer is van luchtstroming. Om deze beweging te stimuleren, moet er gebruik worden gemaakt van motors die het vliegtuig voort blijven duwen. Het is echter zo dat wanneer de motors er mee op zouden houden, het vliegtuig nog steeds in beweging zou zijn. De bouw van het vliegtuig zorgt er voor de het vliegtuig niet in een keer neerstort, maar dat deze geleidelijk aan naar beneden kan glijden.

De verschillende vleugelonderdelen kunnen daarnaast ook bewegen om te zorgen dat een vliegtuig genoeg lift heeft. De bolling van de vleugel wordt dan aangepast. Aan de achterkant van een vleugel zitten rolroeren, die bewegen als een vliegtuig een bocht moet maken.